Gedichten

Sportnieuws

Overwogen werd nog
 struikelen als
nieuw olympisch
onderdeel toe te laten.

Uit angst voor deelname
van 99,9% van de
wereldbevolking werd
er toch maar van afgezien.

 De ander

Kijk naar de ander alsof
je in de spiegel kijkt
Zie de overeenkomsten.

Begrip haalt muren neer,
laat prikkeldraad smelten,
maakt zacht wat hard was.

Stap over je vooroordelen heen
en zie de ander zoals
jij ook gezien wil worden.

Gefeliciteerd

Vroeg ontwaakt lag je te zweten
Tot door: ‘Lang zal-ie leven’
Het startsein werd gegeven
En je eindelijk mocht weten

welk cadeau er op je wachtte
Ieder jaar opnieuw een feest
Met je vriendjes nog het meest
Prachtcadeautjes, hele vrachten.

Maar de blijdschap van verjaren
– en dat is verdomde zuur –
wordt wel minder op den duur.

Met het klimmen der jaren
gaan de tijden plots in draf.
Je telt nog op, maar telt ook af.

Openbaar vervoer

Van de wieg tot aan de groene zoden.

Die kans wordt iedereen geboden.

Een ritje openbaar vervoer.

 

Geniet er van, met ogen open.

Je kunt maar één soort kaartje kopen:

enkele reis en geen retour…

 

Verbazen

En we blijven ons verbazen

Want doorgronden lukt ons nooit.

Eeuwig blijft het een groot raadsel

Dat van het leven en de dood.

 

Goudgeel

Eens zo

jubelend groen

bedekt goudgeel

het stille veld.

 

In de herfst,

in de herfst

is het leven

op z’n sterfst.

 

Schemerig

Tussen plagen, tussen pesten

ligt een schemerig gebied

Het eerste is goedaardig

het tweede is dat niet

 

Wat de een nog plagen noemt

bezorgt een ander juist verdriet

Dat is de pest met plagen:

je ziet vaak de grenzen niet

 

Dubbelfocus

Tussen mijn lijf

en mijn ik

gaapt een

generatiekloof.

 

Dubbelfocus

kijken mijn ogen

om zich heen.

 

Nog altijd in

verwondering.

 

Raar spelletje

GIJ ZULT NIET DODEN,

STOND ER OP

EEN GROOT BORD

IN EEN VREDIG WEILAND.

DE VIJANDEN BESLOTEN

GEZAMENLIJK EEN

ANDER SLAGVELD

TE ZOEKEN.

 

Zo’n eik

Zo’n eik waarvan je dacht

die valt nooit om.

Ongrijpbaar voor de tijd

en voor verval.

 

Waar je altijd bij kon schuilen.

Op zoek naar warmte, veiligheid

en wijze woorden.

 

Die je nog meent te horen

op een weemoedige

namiddag als bladeren

het veld goudgeel

bedekken.

 

Herfst

In de herfst, in de herfst

is het leven op z’n sterfst

 

De schilder

De schilder werd geïnterviewd
Zijn atelier was leeg
Het vragen van de journalist
was zinloos, want hij zweeg

Toen hij de deur had dicht gesmakt
was de kunstenaar ontdooid
En sprak hij tot zijn spiegelbeeld
‘Ik, ik schilder nooit!’

‘Geen verf komt er bij mij nog in
geen streek meer op het doek
Naar wat ik eindelijk heb bereikt
zijn zo velen nog op zoek’

‘Ik ga heel ver in één soort kunst
de kunst van weg te laten
Helaas brengt het geen donder op:
niemand heeft ‘t in de gaten’

Te klein

De wereld is te klein meneer

om oorlogje te spelen.

We hebben haast geen ruimte

meer om elkaar te kelen.

Je kunt gewoon met goed fatsoen

geen bom meer laten vallen,

één fout in de berekening

en je bent er zelf niet meer.

 

De wereld is te klein meneer,

u staat weer op mijn tenen.

Ik hoor uw hersens kraken.

U wilt trappen naar mijn schenen.

Als ik niet anders denken ga,

niet geloof in uw soort dingen,

zult u mij nog op den duur

een toontje lager laten zingen.

 

De wereld is te klein meneer,

uw wereld en de mijne.

En ook die van uw buurman.

Te krap voor elk ’t zijne.

Geen ruimte in het denken.

Geen rek meer, geen begrip.

Iedereen in sneltreinvaart

en eerste klas op egotrip.

 

De wereld is te klein meneer,

haal uw handen uit mijn haren.

En u zegt mij wel wat al te vaak,

dat úw god mij zal bewaren.

Als ik straks eens jeuk heb,

is er echt geen and’re keus

– als ik nog eens peuteren wil –

dan te peuteren in úw neus.

 

De wereld is te klein meneer,

u staat al op mijn erf.

En ik weet waar u op hoopt:

dat ik vandaag nog sterf.

Dat geeft u dan wat ruimte.

Die u verliest weer, op termijn.

Want de wereld is te klein meneer,

de wereld is te klein. 

 ———————————————– 

De ballonvaarder werd uitgelaten opgelaten
Het hondje werd opgelaten uitgelaten

——————————————–

De innemende aannemer werd een aannemende innemer

——————————————-

Ik zie liever
een vent op
de hoofdweg
dan een hoofd
op de ventweg.

——————————————–

Ik ben jaloers op mensen die niet jaloers zijn.

——————————————-

De zanger kreeg geen stervensbegeleiding,
zijn pianist was ook doodziek

——————————————

Pap, mag ik naar de televisie kijken?
Ja hoor schat, als je het toestel maar niet aan zet!

——————————————

Een kilo brie bevat meer koolhydraten dan een kolibrie.

—————————————–

De patiëntenvereniging heeft een ziekte onder de leden

—————————————-

De jongeheer van de oude heer is de oude niet meer…

—————————————-

En, hoe bevalt u nieuwe auto? Ik zou het niet weten, hij is nog niet zwanger geweest…

——————————————

De grote wijzer heeft meer haast dan de kleine. Wie is er wijzer?

—————————————–

Uitstel, de rest van dit gedicht komt morgen wel

—————————————–

Laat me bloeien

Geef me ruimte
Beknot mij niet
Laat me bloeien.

In vrijheid
Beschut door jou.

Geef mij de ruimte
om te zijn wie ik ben.

Geef mij lucht om te leven
Naast jou.

De dure dame

Ze is gekooid, de dure dame
Ondanks haar schoonheid in mineur
Zonlicht schijnt door roze ramen
Maar haar gevoel mist elke kleur.

Zo charmant, de laatste mode
Die ze als een harnas draagt
Kil van binnen, als een dode
Waar verdriet aan alles knaagt.

Ze kent zijn tekens van verlangen
Weet precies wat komen gaat
Speelt het spel, met goud behangen
Ze bedient haar man op maat.

 

Suikertante

Als onsmakelijk besluit
barstte zij in Wenen uit.
Wat er bij die vrouw aan schortte?
Ze vrat zich dood aan Sachertorte!

——————

de golven zingen
hun wereldmuziek in de
toonladder van zee

——————–

 Verlangen

Wat ons bond
was het verleden.

Weet je nog? Ken je nog?
Vragen die eeuwig op
antwoord moeten wachten.

Bij het mooiste uitzicht
op de kabbelende Vecht
zag jij het licht niet meer.

Je vloog weg,
om op te gaan
in het verleden.

Zo’n boom

Zo’n boom waarvan je dacht
die valt nooit om.
Ongrijpbaar voor tijd en voor verval.

Waar je altijd bij kon schuilen.
Op zoek naar warmte, veiligheid
en wijze woorden.

Die je nog meent te horen
op een weemoedige
namiddag als
bladeren het
veld bedekken.

Zwakke vrouw

Ons Annie is een zwakke vrouw,
werd in familiekring gezegd.
Met Annie ging het altijd slecht,
een ieder was voor haar in touw.

Breekbaar lag ze op haar sponde
zeer chronisch ziek te wezen.
Voor Annie’s leven viel te vrezen.
Aandacht pleisterde haar wonden.

Toen het om haar heen verstilde
en de dood haar nog niet wilde
lag ze eenzaam op haar sponde.

Ze is toen maar eens opgestaan
en jarenlang nog meegegaan
Het oudje bleek een kerngezonde.

Prettig gestoord

Als spin in een kleurrijk web
trok jij mooi en vrolijk volk aan.
Gek op gekte liet het spul zich vangen.
Om prettig gestoord jouw feesten
extra glans te geven.

Je kleuren verbleekten,
je web raakte minder in trek.
Snel vergrijzend had je alleen
nog oog voor zwart of wit.
Met weinig voor en heel veel tegen…

Toen het late zonlicht
z’n kleuren over de
kabbelende Vecht strooide
werd jij die maandag
in oktober gevonden.
Verstrikt in je eigen web.

Limerick?

Limerick of limmer jij?
Het antwoord maakt ons bei niet blij.
Hoe zeer wij ‘t ook begeren
Nimmer zullen wij het leren.
Limmeren doen wij geen van bei.

Edeler delen

De adel heeft edeler delen,
wat fors in omvang kan schelen.
De graaf kwam niet in
zijn kleine gravin.
En moest toen wel over gaan spelen.

Zeegezicht

Op de rand van het land,
een broodje haring in mijn hand,
zit ik over zee te turen.
Daar landt een meeuw,
ook nog een mus, een eend.
Plotsklaps heb ik buren.

Ze loeren naar de zilte hap;
die mij steeds slechter smaakt.

Ik tracht ze te verjagen.
Tevergeefs,
de stoet groeit aan.
Gestuurd door lege magen.

‘t Is al zo vaak herhaald:
de vis wordt duur betaald.
Denk ik, als ik even later baal.

Op de rand van het land,
valt het broodje uit mijn hand.
En de meeuw gaat
met mijn haring aan de haal.

De meterkast

Ons vader bond ons moeder vast
aan de deurknop van de meterkast.
Vader brulde, zonder schroom:
‘Je maakt nu, stroom, stroom, stroom!’

‘Trappen zul je, vadsig wijf.
Zweet het vet maar uit je lijf!’
Op het fitnessapparaat
trapte ma zich uit de naad.

Lampen floepten aan in huis.
’t Werd gezellig bij de buis.
Waar The Voice of Holland klonk
en het klatergoud weer blonk.

‘t Is niet langer meer een droom:
eigen stroom in ieders home.
Van dure energiebedrijven
naar energie uit mensenlijven.
Droomprinses

Mijn hersenpan raakt van de kook.
Als jij gracieus de straat in danst,
onwetend met je buurman sjanst.
Jij werkt als onversneden coke.

Zoveel fraais geeft zoveel pret.
Je haar, je ogen, je lippen rood,
je brengt mij in gewetensnood.
Dat schrijf ik jou in dit sonnet.

Je deurbel weet ik blind te vinden
Maar bel toch nimmer bij jou aan,
bang om wreed voor schut te staan.

Ouwe bok kwijlt bij jong blaadje.
Beter dat ik, als heerlijk tijdverdrijf,
op afstand van jou dromen blijf.

Trots

Ze noemden hem ’t Haantje
de trotse matador
Betrad hij de arena
riep iedereen in koor:

Haantje laat je kunsten zien
vol passie en met stijl
maak die stier maar gek
Hij gaat toch voor de bijl.

Vrouwen zwermden om hem heen
Haantje koos de mooiste uit
Spaanse schone, klasse vrouw
Helaas geen trotse bruid.

Hij werd dodelijk gespietst
Door een slimme stier met pit
Zeker weten dat hij dacht:
Haantjes horen aan het spit.

Ongerijmd

Een gedicht ging op vakantie
Ver weg, naar het ongerijmde
Naar vrije vorm, niet dat getimde
Hij zei: Zoals ik ‘t nu zie

ga ik, als ik even maar een kans ruik,
al mijn zinnen daar verzetten
Ontregel liefst ook mijn coupletten
wanneer ik in de blauwe zee duik.

Hij feestte zonder metrum, zonder maat
Maar, zoals dat dikwijls gaat,
hij kreeg ‘t met zichzelf te kwaad.

Nu zegt hij: Ik geef je de garantie:
ik ga nooit meer op vakantie
Geef mij maar vaste regelmaat.

Amsterdam

Ik denk aan dat huis
in Amsterdam.

Jou bezitten,
mezelf verliezen
Bij druipkaarsen
rode wijn
en de jazz
van Miles Davis.

Een smal bed,
een zolderkamer.
Uitzicht op de hemel.

Vakantietragedie

Hij vroeg haar bij ‘t zwembad
De Griekse zon die scheen
Ze wilde best een avond uit
Ondanks zijn houten been.

Een gladde Griekse boy
Die kreeg haar in de gaten
Hij danste close met haar
Terwijl ze Engels praatten.

Haar gehandicapte reisgenoot
Bezag met lede ogen
Hoe hij in die danstent
Al heel snel werd bedrogen.

Na zo’n glas of zeven
Kon hij nóg slechter staan
En is toen met een taxi
Weer naar ‘t hotel gegaan.

De avond daaropvolgend
Zag hij vanaf ‘t balkon
Hoe zij daar tevergeefs
Op haar Griek te wachten stond.

‘t Was ver na middernacht
Dat zij haar tranen liet
Hij dacht: ‘Dit is de eerste keer
dat ik van verdriet geniet’.

Messscherp

Een dame las mij eens de hand
en meteen ook flink de les.
‘Lik bij ‘t eten nooit uw mes.
Straks moet uw tong nog in verband.’

Omdat ik hou van tongenworst
nam ik de tip heel graag te rade
In bloed mocht die van mij niet baden.
Geen mes dat ik nog likken dorst.

Ze kuste liefdevol mijn mond
Waarvan ik vreemd te kijken stond:
ze las naast hand ook lip!

Haar tongverhaal bleek loos gedoe,
ze beet er in, tot bloedens toe;
ondervond ik in een wip.

Woest

Een boze mevrouw in Lugano
speelde woest op haar broze piano.
Dat wou niet best lukken:
‘t instrument brak in stukken
en werd toen verbouwd tot een kano.

Deuntjes

Een pianist in Den Haag speelde toppie!
Alle deuntjes zo uit z’n koppie!
Zong je hem eens wat voor
dan ging hij er mee door
en klonk er een heel ander moppie.

Tap
Een barpianist in Egmond-Binnen
besloot een eigen bar te beginnen.
Dat deed-ie heel knap:
met op zijn vleugel een tap.
Spelenderwijs liep hij binnen.

Zilte liefde

Mijn moeder was een walvis,
mijn vader van karton.
Hij lag op ‘t strand te dromen,
te dromen in de zon.
.
Het was voor haar een liefde
op het allereerst gezicht.
Doordat hij mooi te dromen lag,
daar in dat gouden licht.
.
Mijn vader was van golfkarton.
Had dus iets met de zee.
En omdat hij weinig woog, 
woei hij met alle winden mee.
.
De liefde was kortstondig.
Zij vree mijn pa tot pap.
En toen hij heel snel klaar kwam
dacht zij: ‘Wat een slappe hap.’
.
Ik ben uit haar geboren.
Die dag scheen fel de zon.
‘k Werd op het strand gevonden.
In een doosje, een doosje van karton.
.
© Ger Belmer
Volle maan
‘Nu gaan we naar dat feest’.
Ze trekt haar slipje aan.
Haar borsten in het licht.
Zo mooi, bij volle maan.
.
Ze zegt: ‘Kom er nou uit.’
Ze verft haar lippen rood,
mascara, vleug parfum.
Haar borsten zijn nog bloot.
.
Haar topje is het laatste
dat om haar lichaam sluit.
Ze zegt weer: ’Kom er uit!’
.
Ons bed houdt mij gevangen,
en ik zeg: ‘Lieve schat,
ik heb mijn feestje al gehad.’
 
Advertenties

4 Reacties op “Gedichten

  1. Geweldig!!!!!

  2. Zij werkte bij de garderobe
    bij het Stadstheater in Norg
    De een zei: Ze let op de jassen
    Zij sprak zelf van mantelzorg

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s