Familie

Slaapliedje dat mijn moeder zong…

Muziek is emotie. Bij het beluisteren van het liedje ‘Little man you’ve had a busy day’ springen de tranen in mijn ogen. Mijn in februari 1959 overleden moeder zong dit slaapliedje in een Nederlandse vertaling voor mijn jongere broer Fred en mij. Voor zover ik na kan gaan stamt het origineel uit 1934, toen gezongen door Paul Robeson, beroemd negeracteur en zanger.

Ik kan me niet voorstellen dat mijn moeder ook over die soldaatjes gezongen heeft, ze was een overtuigd pacifiste, mijn broertje en ik mochten niet eens met waterpistooltjes spelen.

Ook denk ik niet dat ze het liedje op een jazzy manier gezongen heeft; zoals Sarah Vaughan het in deze uitvoering doet. Ik herinner me dat ze niet bepaald genoten had van een optreden van de toen nog piepjonge Rita Reys, in Hotel Bouwes in Zandvoort.

In elk geval zijn mijn inmiddels overleden broer en ik wel jazzliefhebbers geworden. Dit in tegenstelling tot onze vader die de pest had aan al die ‘hotjes’ van zijn zoons. Hij bedoelde ‘hotjazz’, maar had zo’n hekel aan die muzieksoort dat hij zelfs de naam ervan niet uit z’n mond kon krijgen.

—————————————-

Gezinnetje

Ivo van der Bent

Moeder Aafke de Jong, vader Ger Belmer en dochters (v.l.n.r.) Femke, Floortje en Maartje na jaren weer eens samen bij ’t IJ in Amsterdam.

——————————————

Mijn kwartierstaat

kwartierstaat Ger Belmer

In de genealogie is een kwartierstaat een opstelling van alle directe voorouders in mannelijke en vrouwelijke lijn. Per generatie verdubbelt het aantal personen.

Van moeders kant zit er Germaans bloed in de familie. Mijn overgrootvader Theodor Kuhlkamp werd in het Duitse Heek geboren. Sinds kort weet ik dat ik van vaders kant eveneens bloedlichaampjes met een Duitse achtergrond in mijn aderen heb. Lang werd gedacht dat de Belmers van sjieke Franse afkomst waren; er was zelfs een mousserende wijn met die naam.  Vooral bestemd voor de Duitse markt, getuige deze reclameposter, in 1993 in Berlijn gefotografeerd.

Emiel de Roover uit Amsterdam onderzocht afgelopen jaar mijn voorgeslacht en kwam tot de conclusie dat de Belmers afkomstig zijn uit de omgeving van Bremen. Hij kwam niet verder dan 1740, voor diepgaander onderzoek moet een tripje naar Bremen worden gemaakt. Ik weet niet of ik daar ooit nog zin in krijg, de ontdekking die Emiel deed is voor mij al een groot cadeau. De Belmer die in 1740 geboren werd heette van voren Gerrit, net als ik! Zal oorspronkelijk wel Gerhard zijn geweest, maar hij verhuisde naar Nederland en moet daar zijn voornaam hebben aangepast. Stoere snuiter, die Gerrit Belmer, was tien jaar varensgezel op schepen van de V.O.C. Maakte in die periode drie trips naar ons-Indië. Een reisje naar de Gordel van Smaragd duurde driekwart jaar. Waar het schip met flink wat minder opvarenden arriveerde dan er bij de afvaart in Amsterdam aan boord waren gegaan. Tijdens de tocht overleed een deel van de bemanning gegarandeerd aan malaria, scheurbuik of andere ellende. Terwijl Gerrit het er heelhuids van afbracht. Zijn sterfdatum viel niet te achterhalen, wel ontdekte Emiel de Roover dan mijn held en naamgenoot in elk geval de 60 wist te bereiken.

belmer-ad-1993

————————————————————————————

Het voorlichtingsboekje

Charmanter en intelligenter dan Greet waren zijn veroveringen nooit geweest. Toen hij deze buurvrouw als zijn nieuwe vriendin aan mij voorstelde  overviel mij een gevoel van trots.

Ik had wel eens vol bewondering naar haar stijlvolle verschijning gekeken. Nog altijd een fraai exemplaar. Goed geconserveerd en met zorg gekleed, volgens de laatste mode voor dames op leeftijd.

Ze bleek ook lief, ontwikkeld, humoristisch, gezellig en ruimdenkend te zijn. Een vrouw om van te houden. Maar daar bleek hij nou juist moeite mee te hebben.

‘Uh… het lukt me niet bij haar. Hij.. wil niet wat ik wil.’

In ons gezin leken weinig taboes over seks te hebben bestaan. Mijn moeder maakte al vroeg werk van onze  voorlichting. Ze had een uit het Deens vertaald boekje waarin echtelijke intimiteit en de gevolgen daarvan op kinderlijke toon werden beschreven en uitgelegd. ‘Op een avond, toen papa en mama heel veel van elkaar hielden, bracht papa zijn zaadjes bij mama naar binnen’.

Het boekje was verluchtigd met eenvoudige tekeningen van een ouderpaar in Adams- en Evakostuum. ‘Kijk, zij heeft een sneetje tussen haar benen, terwijl hij op die plek zijn piemel heeft zitten. Net als bij jullie’, voegde mama er voor Fred en mij aan toe

‘Houdt papa heel veel van mama dan wordt zijn piemel groot en stijf, waardoor hij hem in het sneetje van mama kan steken’, las ze verder. ‘Na een paar minuten spuit hij dan zijn zaadjes bij haar naar binnen. Waarna een van die zaadjes naar een eitje in mama’s buik zwemt om het te bevruchten. Uit dat eitje groeit een kindje, dat na negen maanden groot genoeg is om geboren te worden. Dat kun je zien aan de steeds dikker wordende buik van mama.’

Halverwege de jaren vijftig waren ouders die hun kinderen seksuele voorlichting gaven een nauwelijks voorkomend verschijnsel. Mijn moeder was degene die bij ons thuis de initiatieven ontplooide. Papa zat stil en met een blos op z’n wangen in een hoekje van de kamer tijdens de voorlichtingssessies van z’n echtgenote. ‘Ik hoor er niet bij’, luidt het onderschrift bij dat plaatje.

Toch toonde hij zich solidair. In die jaren zagen veel kinderen hun ouders nooit in hun blootje. Terwijl zelfs  binnen menig huwelijk de partners zich niet naakt aan elkaar vertoonden. Snel uit de kleren en veilig tussen de lakens, waar zich het liefdesspel, liefst in het donker, voltrok.

M’n vader kocht een hoogtezon, zoals de voorloper van de zonnebank heette. Poedelnaakt en met een donker brilletje op zaten we met z’n viertjes in de keuken om beurten voor dat bloedhete apparaat. Niks gêne, lekker modern doen en je niets aantrekken van het jaren ’50 burgertruttengedoe.

Een progressief gezinnetje! Met het Deense voorlichtingsboekje als één van de wegwijzers naar de geneugten van het moderne leven.

Een gedurfd maar ook weinig diepgaand geschrift. Over weigerachtige piemels van naar liefde zoekende weduwnaars op leeftijd werd niet gerept…

————————————————

Alsof ik naar een film keek…

‘Ger, opstaan. Het gaat fout met mama. Ze viel achterover toen ik haar op het potje wilde zetten. Ik heb de dokter gebeld.’
Ze lag in pyjama op bed, doodstil.
Veel meer kan ik me niet herinneren. Ik weet dat ik Fred wakker heb gemaakt en dat we samen zwijgend het tafereel aanschouwden.
Plotseling stond dokter Schoen in de kamer en boog zich over het onbeweeglijke lichaam. ‘Ik kan niets meer doen…’
Papa en ik vielen in elkaars armen. Hij huilde. Ik beleefde de situatie alsof ik naar een film keek. Ik wist dat mijn moeder was overleden, maar het bijbehorende verdriet was niet voelbaar.
Bij Fred leek zich hetzelfde proces te voltrekken. We kleden ons aan en stelden ons bij de voordeur op. Buren liepen in verwarring in en uit. Mannen sloegen armen om ons heen, huilende vrouwen drukten ons tegen zich aan. ‘Arme jongens, hoe moet het nou met jullie?’
We lieten het gebeuren, bijna verbaasd over zoveel opwinding. Had iemand een goede mop verteld, dan zouden we er om gelachen hebben…
Ze was al een tijdje niet goed geweest. Vreemd om je altijd zo bezige moeder stil en warm ingepakt in kamerjas voor de kachel te zien zitten. Ze hoestte zwaar en had koorts. ‘Nog een paar dagen, dan ben ik weer beter’, zei ze. ‘Op m’n verjaardag gaan we het weer gezellig van maken, met ome Harry aan de piano.’
Maar ik zag de beelden van het aankomende feest niet voor me en voelde dat haar gezondheid slechter was dan mama deed voorkomen.
De avond voor haar overlijden ging het hoesten over in naargeestig gegier. Nauwelijks aanspreekbaar lag ze in bed. De koorts liep op. Tegen de 40, constateerde papa met zorg.
Hij belde dokter Schoen en smeekte hem naar zijn volgens hem doodzieke vrouw te komen kijken. Maar de huisarts zag de situatie niet zo donker in. De oudste zoon moest maar langs komen voor een receptje tegen de hoest. Dat medicijn zou ook de koorts wat temperen.
Schoen woonde aan de overkant, aan het einde van het blok. Een klein stukje lopen door de kille avondmist. Het recept was al klaar. Hij stak z’n arm door het open raampje in de deur en overhandigde mij het briefje.
In de sombere apotheek gebaarde een norse vrouw met wit schort dat ik op een houten bank moest wachten. Achter de toonbank rommelde ze wat met potjes en flesjes en een weegschaaltje.
De volgende ochtend zat ik weer op die bank, terwijl dezelfde mevrouw een ander recept klaarmaakte. Nog steeds nors kijkend.
‘Zo ziet de dood er voor een apotheker uit’, dacht ik, anderhalve maand daarvoor 15 geworden. ’s Avonds wordt het laatste medicijn voor de zieke gehaald. De volgende ochtend maakt ze kalmeringsmiddelen voor de nabestaanden…’

————-

Fred Belmer (1947 – 2006)

fred en z'n vriendin mirjam, beiden overleden

Mijn broer Fred Belmer (21 maart 1947) en zijn vriendin Mirjam. Beiden overleden. Mirjam stierf aan kanker, een aantal jaren na haar dood maakte Fred een eind aan z’n leven. Fred en Mirjam waren een tijdlang bijna onafscheidelijk, ze werden vaak voor een echtpaar aangezien. Fred was homoseksueel, maar had  aanzienlijk meer vrouwen dan mannen om zich heen.  

Wat ons bond
was het verleden.

Weet je nog? Ken je nog?
Vragen die eeuwig op
antwoord moeten wachten.

Bij het mooiste uitzicht
op de kabbelende Vecht 
zag jij het licht niet meer.

Je vloog weg,
om op te gaan
in het verleden.

© Ger Belmer
Purmerend

Fred, mijn enige broer, stapte 16 oktober 2006 uit het leven. Bijzondere man. Zeer getekend door de vroege dood van onze moeder in 1959. Ze waren vier handen op één buik. Samen bezig met mode, vormgeving en woninginrichting. Als papa en ik zondagmiddag van een thuiswedstrijd van Ajax thuiskwamen kon het interieur volledig veranderd zijn. Fred adviseerde mama ook bij het kopen van haar kleding.  Bij haar dood werd de bodem uit zijn bestaan geslagen.

Hij kon niet met onze vader overweg en ging op z’n zestiende het huis uit. Fred maakte als koksmaat op de grote vaart twee maandenlange reizen naar Zuid-Amerika.

Hij kwam als zeventienjarige in de modewereld terecht door zijn relatie met toenmalig couturier Dick Holthaus, twee modieuze types bij elkaar. Later werkte hij tot z’n dood in de modeketen van Edgar Vos.

Bij zijn uitvaart was de aula van de Nieuwe Ooster Begraafplaats afgeladen. Tweederde van het gezelschap bestond uit goed geconserveerde, modieuze dames op leeftijd die afscheid namen van hun Fredje. De man die ze geadviseerd had bij het kopen van hun kleding en de inrichting van hun huizen…

————————————————————————

Jacobus Josephus Belmer (1889–1974) en Gerritje Kat (1887–1967)

Grote opa en oma

Jaap, Gerritje Belmer, An en Ab Oord, krachtpatsers en compagnons kussenverhuur

De directie van het zitkussentjesconcern Belmer & Oord met hun dames. V.l.n.r. grote opa en oma Belmer, An en Ab Oord.

Opa Belmer, door ons grote opa genoemd, was de oudste zoon uit een Amsterdams gezin van elf kinderen. De man was ijzersterk. Hij worstelde en deed aan gewichtheffen. In 1913 werd hij Nederlands Kampioen gewichtheffen in de afdeling zwaargewicht.

Door de Eerste Wereldoorlog, van 1914 tot 1918, deed hij maar kort aan krachtsport, maar bleef tot op hoge leeftijd een sterke kerel. Wat hij heel graag wilde weten. Hij had er lol in om je zo een stevige handdruk te geven dat je het uitschreeuwde van de pijn.

 Hij raakte verliefd op Gerritje Kat, een meid uit de Jordaan. Dat pikten de jongens uit die buurt niet, ze lieten hun vrouwvolk niet met zo’n buitenstaander uit de Pijp vrijen. Toen opa op een avond de Jordaan binnen fietste werd hij door een stel knullen opgewacht. Volgens de verhalen sloeg hij ze allemaal in de puinpoeder, daarna had hij voor altijd vrij toegang tot die buurt.

Agressief

Mijn oma kwam ook uit een groot gezin. Ze had een vader die veel dronk: Hendrik Kat. Hij werd Hein met het Gouden Wiel genoemd, naar de wielerwedstrijden waar hij een grote fan van was. Hendrik had een kwade dronk en was met een slok op behoorlijk agressief. (Mijn neef Kees Wagenaar meent te weten dat Hein onze grootvader, de zo stoere gewichtheffer, bij een knokpartij van de trap heeft gegooid. Volgens neef Kees was het gezin Kat wat zwaksociaal. Hij betwijfelt zelfs of oma wel goed kon lezen en schrijven. Kees herinnert zich ook een broer van oma die zeer ordinair was en er armoedig uitzag. ‘Hij stonk’, zegt mijn neef.)

Toen Hendrik Kat mijn oma, toen ze nog klein was, een tik gaf, werd haar moeder/zijn vrouw Johanna Catharina Roos hels. Waarop de dronkenlap het wicht optilde en wilde weten of het haar of zijn kind was. Hij dreigde Gerritje, net als Salomon in het Bijbelse verhaal, in twee stukken te scheuren.

Een traumatische ervaring voor het kind, jaren later vertelde ze dat verhaal nog steeds. En van drank moest ze niets hebben. Op verjaardagen lette ze argwanend op de hoeveelheid alcohol die gebruikt werd. Ik zie m’n opa nog stiekem een borrel achterover slaan terwijl zij in de keuken was.

 Nier weggenomen

Bij oma Belmer-Kat werd in haar puberteit een nier weggenomen. Zo kort na de eeuwwisseling moet dat een bijzondere operatie zijn geweest. Die ze goed doorstaan heeft. Ze werd op haar slofjes 80. Mummelend en zwartgallig, maar lichamelijk steeds in redelijke staat.

Jacobus en Gerritje moesten trouwen, zoals dat vroeger zo vaak ging. Ze kregen drie kinderen, waarvan de eerste dood geboren werd. Jannie was de oudste, daarna volgde mijn vader.

Mijn opa zat tijdens de Eerste Wereldoorlog in dienst (onder de wapenen heette dat). In de oorlogstijd kwam hij weinig thuis. Zo weinig dat z’n eigen zoon hem op een gegeven moment niet herkende en bang onder tafel kroop bij het zien van die vreemde soldaat.

 Zitkussentjes

 Na de oorlog werd grote opa suppoost op het toenmalige Amsterdamse stadion. Samen met zijn mede-krachtsporter Ab Oord moest hij raddraaiers in het publiek een lesje leren. Die waren doodsbang voor die twee krachtpatsers en hielden zich al snel koest. Daardoor hadden mijn opa en zijn collega weinig te doen. Ze kregen toen de tip zitkussentjes te gaan verhuren. Dat had iemand in Londen gezien, waar in de stadions ook houten banken op de tribunes stonden.

Een gouden greep. Omdat het diamantvak nogal wisselvallig was, kon Jacobus Josephus een vaste verdienste best gebruiken. Aan de kussentjesverhuur heeft hij altijd een leuke boterham verdiend.

Na zijn dood zette mijn vader de verhuur voort. Door de groeiende vernielzucht en het toenemende geweld ging het echter bergafwaarts met de handel. Kussentjes werden vernield en opstandige en baldadige toeschouwers gingen er mee gooien. Was men het niet eens met een beslissing van de scheidsrechter dan werd dat kracht bijgezet door het op het veld smijten van de handel van mijn opa. De directie van het Olympisch Stadion verlengde het pachtcontract niet meer, enkele jaren later gevolgd door de Ajax-directie.

Ik geloof dat mijn vader en mijn neef Jaap daarna alleen nog verhuurden op de tribunes van het Blauw-Wit veld, dat naast het Olympisch Stadion lag. Tot ook dat mis ging. In november  1981 werd er officieel een punt achter de kussenverhuur gezet.

 Zwakke vrouw

Mijn vader deed de Ulo (Uitgebreid Lager Onderwijs, nu de Mavo), zijn zuster doorliep de HBS (Hogere Burger School, nu Havo/VWO) met goed gevolg. Een voor die tijd redelijk unieke prestatie, op de HBS zaten weinig meisjes.

Zij was de oogappel van haar ouders en werd met alle zorg omringd. ,,Jannie is een zwakke vrouw”, zeiden ze over hun dochter. Wat ze precies mankeerde weet ik niet, in ieder geval was ze zelf ook overtuigd van haar breekbaarheid. Tot overmaat van ramp trouwde ze met een man, Cor Wagenaar, die zijn zwakke poppetje voortdurend in de watten legde.

Ome Cor was een harde werker. Hij schopte het van ongeschoolde jongste bediende tot verkoopleider en adjunct-directeur van een belangrijke staalgroothandel. Ondanks zijn zware baan zorgde hij intensief voor tante Jannie. Ze kreeg elke morgen ontbijt op bed van hem.

Tante Jannie was wel zo fideel dat ze haar echtgenoot alle credits voor zijn inspanningen gaf. ‘Ik weet niet wat ik zonder Cor zou moeten beginnen’, zei ze vaak. Gelukkig overleed zij een paar jaar eerder dan hij. Ome Cor verhuisde toen naar een bejaardenhuis in de Bijlmer, waar hij zich niet prettig voelde. Hij was er één van de weinige mannen en zag er ook nog prima uit voor iemand van dik in de tachtig. Er waren oude wijven die op hem vielen, vertelde hij, toen ik hem eens bezocht. ‘Heel vervelend, Gerrie. Heel vervelend, ik moet er niks van hebben!’

Dagelijks

Ome Cor en tante Jannie waren tijdens hun huwelijk niet vaak alleen; dagelijks waren opa en oma Belmer bij hen over de vloer. Om hun dochter te verzorgen en te verwennen. Vooral opa was altijd met z’n oudste kind bezig.

En natuurlijk ook met haar kinderen Jaap en Kees. Jaap is een jaar of acht ouder dan neef Kees en ik, hoe zijn verhouding met opa was weet ik niet. Maar Kees en opa Belmer waren dikke maatjes.

Kees was in alles beter, vond opa. Zoals die jongen accordeon speelde, geweldig! En wat hij op school allemaal presteerde! Grote opa was daar precies van op de hoogte, hij stond vaker bij school dan zijn dochter dat deed.

Mijn moeder was niet de enige die het moeilijk had met opa en oma en hun zwakke dochter. Mijn vader stak het dat ze zijn zuster zoveel meer aandacht gaven dan hem.

Toen mama nog leefde kwam dat niet zo naar voren, maar na haar dood heb ik hem er menigmaal over horen mopperen. Of hij zijn ongenoegen ooit tegen zijn ouders en/of zijn zuster heeft geuit betwijfel ik, hij had ontzag voor ze.

Geld                                              grote opa Belmer                                      

Voor opa Belmer was geld belangrijk. Mijn vader zei wel eens over hem dat hij zijn vrienden kocht. Terwijl ik opa datzelfde ook eens tegen mijn vader heb horen zeggen. De kat verwijt… De beide mannen konden hun affectie moeilijk met een vriendelijk woord of een schouderklopje laten blijken. Waardering voor de ander werd met geld tot uitdrukking gebracht.

Opa’s vier kleinzoons kregen regelmatig wat toegestopt. Neef Kees zal het meeste wel gekregen hebben, die zag opa zo vaak. Maar op een gegeven moment was dat afgelopen. Kees studeerde en zat op zwart zaad. Opa vond dat zijn haar veel te lang was en zei dat hij naar de kapper moest. Dat zou hij wel betalen en dan kreeg-ie nog wat extra ook. Maar mijn neef was het gedonderjaag zat en zei: ,,Nee opa, Kees is niet meer te koop”

Mijn oma heb ik eigenlijk alleen gekend als een stille, mopperige vrouw. Ze had al vroeg geestelijke aftakelingsverschijnselen. Mummelend zat ze in een hoekje en bekeek alles kritisch. ,,Wat heb je een lelijke frok (trui) aan”, of ,,Wat is je haar lang”, zei ze dan op zeikerige toon. Op opa had ze ook van alles aan te merken, terwijl die man toch verschrikkelijk z’n best deed. Hij verzorgde het hele huishouden.

Grote oma was een tragische vrouw, waar Fred en ik moeilijk gevoel voor  konden opbrengen. Fred had ronduit de pest aan haar. Dat zal ingegeven zijn door de slechte relatie van mama met oma Belmer. De dames konden elkaar niet luchten of zien. Mama vond oma een domme en bemoeizuchtige trut, terwijl mijn geliefde grootmoeder haar modieuze schoondochter als een wuft type beschouwde.

Toen oma kort na het overlijden van mama op de Admiraal de Ruyterweg 166 kwam, had ze aanmerkingen op de stoffigheid van het interieur. Ze ging met haar vinger over het dressoir en bekeek het resultaat met een vies gezicht. Ze vroeg Fred om een stofdoek. Waarop hij haar, 12 jaar oud, op toen al vals-nichterige toon toebeet: ‘Oma, wij hébben geen stofdoeken.’

Slechts twee weken heb ik oma min of meer in haar oorspronkelijke doen meegemaakt. Ze kreeg een speciaal medicijn, dat maar kort zou werken, had de dokter gezegd. In die periode bleek het gewoon een aardige vrouw te zijn. Daarna werd ze weer de mummelende zuurkous.

 Geen vrolijke vertoning

Na de dood van mama aten we ieder zondag bij opa en oma Belmer, ze woonden op de Ceintuurbaan. Dat was geen vrolijke vertoning. Vooral tussen Fred en de twee oudjes boterde het niet. Hij ergerde zich dood aan het gezeik van oma, en met opa had hij nauwelijks contact. Dat was jammer, want het was best een aardige kerel.

Hij kon fantastisch vertellen. Toen ik vlak voor het overlijden van mama ‘ter observatie’ voor mijn hartafwijking in het ziekenhuis lag, kwam hij elke dag langs. Hij draaide dan z’n hele dienstrepertoire af. De man had danig huis gehouden in het leger. De ene knokpartij na de andere, hij zat meer in de petoet (strafcel) dan dat hij er uit was.

Na het overlijden van oma op 80-jarige leeftijd leefde opa nog zeven jaar in z’n eentje. Dat ging hem goed af. Tot vlak voor z’n dood op 85-jarige leeftijd fietste hij en hield hij zijn zitkussenhandel in de gaten.

Hij was van alles op de hoogte. Las hij het niet in de krant of zag hij het niet op de TV, dan vroeg hij het wel. In de buurt stond hij bekend als het ‘Wandelend Handelsblad’, omdat hij iedereen uithoorde.

Overlijdensbericht

Zeer opmerkelijk was het doorgeven van het overlijdensbericht van oma Gerritje Belmer-Kat. Ze stierf op 80-jarige leeftijd na een kort ziekbed in de Boerhavekliniek, het pand waar nu Stage Entertainment van Joop van den Ende is gevestigd.

Ik was aan het werk op de Admiraal de Ruyterweg en werd door een medewerkster van het ziekenhuis gebeld. Of ik de rest van de familie op de hoogte wilde brengen.

Ik keek op de lijst met klanten die mijn vader zou bezoeken en gokte op een slager op de Stadionweg. ‘Dat treft. Je vader staat hier voor de deur met een oudere man en een vrouw’, zei die klant via de telefoon. Toen ik mijn vader aan de lijn kreeg reageerde hij stomverbaasd: ‘Niet te geloven, ik sta hier op straat met mijn vader en tante Jannie te praten!’

Tante Jannie bleef voor opa en haar man het zwakke poppetje dat ze altijd al geweest was. Dat veranderde niet toen ze na haar zestigste bij een internist kwam die haar na een uitgebreid onderzoek vertelde dat ze op en top gezond was. Voor een sportkeuring had hij haar zeker goedgekeurd. Mijn vader moest er smakelijk om lachen!

Tante Jannie overleed op 83-jarige leeftijd. Haar echtgenoot, ome Cor, werd 89.

Artikel in krachtsportclubbladvan opa de kampioen

Artikel uit blad Krachtsport in 1913. Opa Belmer op de kiek met al zijn medailles. 

——————————————————————————————-

Zijn hoogtepunt

(familieverhaal, vrij naar de werkelijkheid)

Ik vond hem in de staat waarin ik hem vroeger wel eens gewenst had: dood, morsdood! 

Een week geleden hadden we zijn verjaardag gevierd. Een jeugdige vent. Sportief, sterk, blakend van gezondheid. Je gaf hem geen zeventig.

Dertien jaar geleden was ik aan zijn greep ontsnapt. De jongen die alleen maar z’n middenstandsdiploma hoefde te halen, om later de zaak voort te zetten, bleek meer in z’n mars te hebben.
‘Nee hoor, komt niets van in. Mijn tijd zal het wel duren’, was zijn reactie als ik voorstelde de zaken op moderne wijze aan te pakken. Niks fax, niks factureermachine, niks computer. In 1980 werd in ons bedrijf nog gewerkt zoals het in de jaren vijftig toe ging.

Het geluk lachte mij toe op zomaar een zaterdagavond. In de kroeg trof ik een journalist van dagblad De Zaanlander. Hij was aangeschoten en had geen zin in het recenseren van een voorstelling van toneelvereniging Hierna Beter. ‘Oubollig. En daar moet je dan je mening over geven. Nou, die heb ik al: bagger!”
Terwijl hij verder doorzakte ging ik naar zaal Concordia en schreef een recensie van het soort dat ik zo vaak gelezen had. Tussen de regels door begrijp je dat het ronduit slecht was wat zich op het toneel heeft afgespeeld, maar de recensent kan het de goedwillende amateurs niet aan doen dat zo in de krant te zetten. Dus meldt hij dat iedereen vreselijk z’n best heeft gedaan, dat het décor functioneel was en dat de dames beslist hard aan de fraaie kostuums hadden gewerkt.

Maandag stond mijn stukje in de krant, met de naam van de doorgezakte journalist er onder. Die me in de loop van de dag belde; dankbaar en met de mededeling dat ik een natuurtalent was. Of ik vaker voor zijn krant op stap wilde.

Na een half jaar kreeg ik een vaste aanstelling op de redactie. Wat pa mij niet in dank afnam. Zijn opvolger had de benen genomen! ‘Wat een lul. Meneer gaat bij dat kutkrantje een minimumloontje verdienen, terwijl hij bij mij goud vangt.’
Gelukkig kende hij een leuke, frisse knul die de kans die ik had laten liggen wel zou pakken. En dat klopte. Binnen een jaar was die aardige jongen er met het grootste deel van de klanten vandoor. Het kwam goed van pas dat pa altijd zo zuinig had geleefd. Op z’n zevenenvijftigste kon hij gaan stilleven.

Het lukte hem niet z’n draai te vinden. Dan belde hij. ‘Als je moeder nog geleefd had was dit niet gebeurd. Als ze klootzak roepen moet jij omkijken…’
Daarna spraken we jarenlang niet met elkaar. Ik hoorde via via hoe het met hem ging. Hij sukkelde met z’n hart en had problemen met vriendinnen. En ik bleef de gebeten hond. Die lul van een zoon van hem had hem laten stikken!

De dag nadat z’n eerste kleinkind was geboren, stond hij aan het kraambed. Hij zag er beroerd uit. Nee, ik moest niet denken dat hij voor mij kwam. ‘Wat er gebeurd is, zal ik nooit, nooit vergeten…’

Zijn hartkwaal speelde hem steeds meer parten. Maar hij wilde niet geopereerd worden. Flauwekul, over een paar jaar ging-ie gegarandeerd dood, met of zonder operatie.
Uiteindelijk stemde hij toch toe. Een paar maanden later fietste hij fluitend door de stad. In de zomer maakte hij lange tochten naar het strand. Bruinverbrand en vol trots vertelde hij er over.

Vorige week zei hij na z’n derde verjaardagsborrel: ‘Het afgelopen jaar kunnen ze me niet meer afnemen. Godallemachtig, wat heb ik genoten. Op deze manier wil ik nog wel een tijdje door. Maar als m’n klokkie plotseling stilstaat, is dat ook geen ramp. Je moet op je hoogtepunt afscheid kunnen nemen…’

© Ger Belmer

————————————————————————————————

‘Toen jij geboren werd, ging hij dood’

Mijn overgrootvader van moeders kant Wilhelm Theodor Kuhlkamp.
Mijn overgrootvader van moeders kant Wilhelm Theodor Kuhlkamp.

‘Toen jij geboren werd, ging hij dood’, kreeg ik als kind wel eens te horen als het over mijn overgrootvader ging. Waaraan ik de naïeve conclusie verbond dat, wanneer ik niet geboren was, die man nooit gestorven zou zijn. Ik heb er mij wel eens schuldig over gevoeld.

Wilhem Theodor Kuhlkamp werd ca. 1864 in de plaats Heek in het toenmalige Pruisen (nu Duitsland) geboren. Zoon van Johan Kuhlkamp en Francisca Terwolbeck, waar ik geen verdere gegevens van heb. Als jongeling trok hij naar het dichtbije Nederland. Als marskramer op avontuur met in zijn bagage manufacturen (knopen, draad, garen, spelden) en stoffen.

In die tijd werd dat meer gedaan door ondernemende Duitse jongemannen. Ze trokken met hun handelswaar naar het westen, om in het meer welvarende Nederland hun geluk te beproeven. De gebroeders Clemens en August Brenninkmeijer zijn daar rijkelijk in geslaagd. Hun textielconcern C & A groeide uit tot één van de grootste ter wereld.

Herr Kuhlkamp was minder fortuinlijk in het zaken doen. Misschien had hij wel een visie en kon hij uitstekend verkopen, maar hij was te goed van vertrouwen. Hij vond elk persoon dat met hem zaken wilde doen snel ‘ein nobel mensch’; waardoor hij vaak bedrogen uitkwam.

Hij trouwde met een meisje uit het Noord-Hollandse Zijpe: Geertruida Anna Kruijer (geboren ca. 1869), de dochter van Klaas Kruijer (4-5-1840) en Neeltje Kruijer (26-12-1836); moet beslist familie van elkaar zijn geweest!
Die verbintenis zorgde voor een hok vol kinderen. Eén van hen was mijn oma Ciska. Hoeveel kinderen het gezin telde weet ik niet, ik herinner mij ome Joop, tante Vera en tante Cora. Er moeten nog minstens drie andere broers zijn geweest. Eén van hen stierf jong aan TBC. Oma had een medaillon met zijn foto. Klapte ze dat open dan zag je een haarlok. Ik vond dat griezelig, je keek naar een onderdeel van een overleden mens. Ik geloof dat die broer Frans heette. Op de foto poseerde hij in het Vondelpark, waar hij als tuinman werkte. Een breekbaar type. Aan die foto kon je zijn voortijdig einde aflezen.

Pinnige vrouw
Aan tante Cora heb ik geen prettige herinneringen. Een pinnige vrouw die in de Kinkerstraat samen met haar man een winkel in stoffen en manufacturen dreef. Mijn moeder nam mij een keer mee naar die zaak, waarbij ik met spulletjes zat te klooien. Op de toonbank stond een grote kooi met een papegaai er in. Toen het de tante van mijn moeder te gek werd dreigde ze mij op te sluiten bij dat beest…
Een bijzonder gezin, dat van Herr Kuhlkamp. Oma Ciska had o.a. ook Jaap en Karel als broers. Jaap vertrok op een gegeven moment naar de Verenigde Staten. Vandaar stuurde hij regelmatig brieven naar zijn familie in Nederland. Op een gegeven moment stopte dat. Navraag bij de autoriteiten leverde weinig op, waarna zijn broer Karel besloot naar Amerika af te reizen en ter plekke op zoek naar zijn broer te gaan. Een vergeefse onderneming. Het ergste van alles was dat Karel eveneens spoorloos verdween. Via allerlei instanties, en wellicht ook detectivebureaus in the States zijn zoekpogingen op touw gezet. De mannen werden nooit gevonden…

De familie was graag met spirituele zaken bezig. Om de verblijfplaatsen van de verdwenen broers op te sporen werden diverse paragnosten ingehuurd. Zonder het gewenste resultaat. Ik kan mij herinneren dat uiteindelijk besloten werd de zaak te laten voor wat hij was. Een in die tijd goed aangeschreven paragnost had bedacht dat dit de beste houding was. ‘Laat ze rusten’, was zijn advies.

Een leuke en bijzondere man was oma’s broer Joop. Een artistiek type, hij droeg altijd een baret. Zijn vrouw heette Maria, een Duitse van geboorte. Ome Joop was lid van een sekte. Een wonderlijk groepje geloofsgenoten, waarvan ik de naam niet weet. Eén van de kernpunten van hun religie was dat geschreven stond wanneer je het tijdelijke met het eeuwige zou verwisselen. Omstreeks die bewuste periode overkwam ome Joop een vreselijk ongeval. Hij viel bij zijn werk in de Amsterdamse haven in een vele meters diep ruim van een schip. Zwaargewond kwam hij in het ziekenhuis terecht en… overleefde het ongeval. Hij viel door dat ongeval ook van zijn geloof …

Schat van een vrouw
Oma Ciska was een schat van een vrouw. Kleine oma, noemden wij haar. In tegenstelling tot grote oma: mijn grootmoeder van vaders kant. Zo lief en warm als kleine oma was, zo kil was grote oma. Een gigantisch verschil!
Ciska was ook héél anders dan haar zus Vera! Een prachtig exemplaar! Op hoge leeftijd was het nog een mooie, slanke en aristocratische vrouw. In tegenstelling tot haar zus Ciska, die een mollige moeke was.
Vera hield van de geneugten van het leven. Jonge klare ging er bij haar in als Gods woord in een ouderling. Haar verschijning werd onder meer gekenmerkt door het ontbreken van een flink deel van één van haar armen.
Ze was jong getrouwd met Charlie, een rijke industrieel die z’n tijd ver vooruit was. Hij woonde met zijn gezin op sjiek in Noordwijk en werkte in Engeland. Het bedrijf waar hij een dikke vinger in de pap had heette Vickers-Armstrongs, grote wapen- en machinefabrikant en scheepsbouwer. Charlie vloog in de jaren ’20 en ’30 al wekelijks over de Noordzee. Een vorm van woon-werkverkeer die nog steeds redelijk uitzonderlijk is.

TBC
Waar zijn vele geld hem niet voor kon behoeden was TBC. Hij werd zo ziek dat de artsen hem adviseerden naar Marokko te gaan, dat warme klimaat zou hem goed doen. Daar kwam het echter niet van. Aan boord van het passagiersschip naar Noord-Afrika verslechterde zijn gezondheid zodanig dat besloten werd hem in de eerstvolgende haven, Southhampton, naar het hospitaal te brengen. Tante Vera werd daar ook opgenomen, omdat ze een gevaarlijke ontsteking aan haar arm had. Ze had haar Charlie met een open wond verzorgd, waardoor die besmet raakte. De artsen besloten de arm te amputeren. Bijna gelijktijdig overleed Charlie.

Vera bleef achter met hun dochter, de chique villa in Noordwijk en een riante bankrekening. Na een tijdje werd ze hopeloos verliefd op een violist die in het deftige Haagse hotel Des Indes speelde. Met deze Antje werden de bloemetjes flink buiten gezet. Het eindresultaat was een zoon en het bereiken van de bodem van de schatkist. Jammer, maar niet funest voor hun relatie, ze bleven elkanders grote liefde. Tot ook Antje overleed.
Tante Vera besloot niet bij de pakken neer te zitten en ging op reis door Europa. Zonder geld en met één arm, die haar bij het liften goed van pas kwam. Ze reed regelmatig met visserslui uit de Scheveningse haven naar de hallen in Parijs, om daar een paar dagen te verblijven.
Naar mijn opa en oma in Amsterdam reisde ze ook per duim. Opa vond dat maar niks en gaf haar geld voor de terugreis per trein. Het verhaal gaat dat ze van die centjes een keer op chique in Americain op het Leidseplein gebak en koffie met een likeurtje bestelde, om vervolgens toch liftend naar Den Haag te vertrekken.

Filmster
Tante Vera was een mooie vrouw, waarvan graag verteld werd dat ze ooit filmster was geweest. Waarschijnlijk hield dat niet meer in dan wat figuratie in een paar stomme films, maar toch… Zelfs na haar zeventigste was het een vrouw met glamour en aantrekkingskracht. Ik weet nog dat ze vertelde hoe ze als liftster door een aanzienlijk jongere automobilist was opgepikt die tijdens de rit werk van haar begon te maken. Hij stopte op een stille zijweg en wilde met haar vrijen. Toen ze riep: ‘Toe joh, ik had je oma kunnen zijn’, reageerde hij met ‘Nou en?’ Mijn vader probeerde nog uit te vissen wat er vervolgens voorgevallen was, waarop tante Vera guitig lachend zei dat die knul haar keurig thuis had gebracht…
marnixstraat bij Leidseplein. Overgrootmoeder Kuhlkamp viel stomdronken van trap 2 hoog, hartstikke dood

Marnixstraat, Amsterdam, op enkele honderden meters van het Leidseplein. In 1948 heb ik als jochie van bijna vijf vanaf één van die balkons op twee hoog de Gouden Koets met de kersverse koningin Juliana zien passeren. Mijn overgrootmoeder woonde in dat huis. Enkele jaren later viel ze daar met een stevige slok op van de trap en brak haar nek. Geen beroerde dood!

Mijn overgrootmoeder bleef eveneens tot op hoge leeftijd goed geconserveerd. Eén van mijn eerste herinneringen is dat ik bij haar, twee hoog op het balkon in de Marnixstraat, de gouden koets met de zojuist gekroonde Juliana zag langs rijden.

Lange trap
Zwarte Omaatje werd ze genoemd, omdat ze altijd donker gekleed was. Ze mocht graag een borrel drinken. Wat haar uiteindelijk fataal werd. Ik kan mij nog goed de lange trap naar haar etagewoning herinneren. De buren van één hoog hadden een trap binnendoor, waardoor er geen overloop was. Zwarte Omaatje was flink aangeschoten toen ze haar evenwicht verloor en in volle vaart naar beneden viel…
Kleine oma heb ik nooit meer dan een advocaatje met slagroom zien gebruiken. Opa daarentegen was een stevige innemer. Hij was ook een liefhebber van vrouwelijk schoon. Niet zo gek dus dat de jonge bloem Ciska snel zwanger raakte van die wilde Freek. Omdat ze wegens hun geloven niet mochten trouwen – opa was Hervormd – werd oma zwanger in een klooster opgenomen, om daar haar kindje ter wereld te brengen. Met haar Freek mocht ze geen contact hebben. De nonnen letten er goed op dat hij haar niet bezocht en geen brieven stuurde. Enveloppen met brieven van Ciska’s vriendin Frederika lieten ze ongemoeid…
Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen. Bij opa en oma viel dat aardig mee, ze werden beiden 80. Hoeveel jaar ze getrouwd waren, bleef geheim. Korter dan de leeftijd van hun eerste, mijn ome Jaap, maar dat mocht de goegemeente niet weten…

———————————————————————–

Ik ben een kind van Ajax!

Ik werd geboren op de laatste dag van het oorlogsjaar 1943. De bevalling vond plaats in de slaapkamer van de benedenetage op het adres Admiraal de Ruyterweg 166 in Amsterdam-West. Dit pand werd in 2007 gesloopt.

Ik was het eerste kind van Geertruida Maria (Truus) van Leeuwen (1914 – 1959) en Jacob Daniël (Jaap) Belmer (1912 – 1982).

Gerrit Belmer vers van de pers in de armen van zijn moeder Truus. De kraamverzorgster poseert ook. Let op de grote fruitmand met uitsluitend inheems fruit. Het was oorlog!

Ze ontmoetten elkaar tijdens een clubfeest van Ajax. Mijn vader en de broers Jaap en Theo van mijn moeder speelden bij die club.

Volgens mijn moeder heeft ze vanaf het begin in de clinch gelegen met haar schoonfamilie. Modieus als ze was gebruikte ze make-up. Dat was toen, vlak voor de oorlog, veel te werelds, vond mijn oma Belmer en ze probeerde die rotzooi met een washandje van het gezicht van haar aanstaande schoondochter te vegen. Ook de zuster van mijn vader, tante Jannie, toonde zich niet echt blij met de wufte aanwinst van haar broertje.

Tussen mama en haar schoonfamilie is het altijd moeilijk gebleven. Er waren tijden dat ze geen stap bij elkaar over de vloer zetten, terwijl er ook periodes redelijk goed met elkaar werd omgegaan. Maar dat was dan wel een gewapende vrede, één verkeerd woordje en de pleuris kon weer uitbreken.

Jaloers als mama was, wilde zij niet dat mijn vader met zijn familie omging in de periodes dat zij met hen gebrouilleerd was. Hij deed dat daarom stiekem. Kwam dat uit, dan was het huis te klein.

Zo kon het toch ook, mama met haar schoonfamilie gezellig in de duinen. Grote opa Belmer in het midden. Links van hem tante Cor, rechts mijn moeder. Tussen z’n benen zijn dochter Jannie, die toen kennelijk een dagje niet zo zwak was. De staande vrouw is grote oma Belmer. De licht gebukte dame is de schoonmoeder van tante Cor, mevrouw Schuitenmaker.

Mijn vader was een man die graag en veel zong. Hij had gevoel voor humor en wist moppen goed te brengen. Hoewel hij in de handel een beste boterham verdiende was zijn grootste wens artiest te worden.

Vlak na de oorlog leek het er op dat hij als professioneel zanger en conferencier de kost zou gaan verdienen. In de bevrijdingsroes werden overal feesten georganiseerd. Mijn vader profiteerde samen met zijn pianist en vriend Harry Driessen volop van de grote vraag naar figuren die een feest van de grond konden tillen.

Daarbij kon het wild toe gaan. Wijntje en Trijntje waren in ruime mate voor handen en daar maakten de beide heren gretig gebruik van. Harry was meer versierder dan mijn vader, die deed, denk ik, een beetje voor de show mee.

Tot de naoorlogse hausse in het amusementswezen voorbij was traden ze meerdere keren per maand op. Later beperkte het artiestenleven van mijn vader zich tot wat bruiloften en partijen. Maar het gedoe met vreemde dames bleef. Tante Alie, de echtgenote van Harry de pianist, hing dat op een gegeven moment mijlenver de strot uit. Zij dreef een wig tussen de leden van het muzikale, drankzuchtige en vrouwvriendelijke duo.

‘Mensch durf te leven.’ Mijn vader als zanger in actie, links van hem pianist Harry Driessen.

Zonder er van tevoren iets over bekend te hebben gemaakt vertrok het gezin Driessen uit Amsterdam-West. Toen ik als jochie bij tante Alie en ome Harry in de Kijkduinstraat langs ging, stond er een vreemde mevrouw op de overloop op één hoog. Wie tante Alie was, wist ze niet. Zij woonde er net een paar dagen. Misschien bedoelde ik de mevrouw die vóór haar in het huis had gewoond. Was dat mijn tante? Vreemd dat ik niets van haar verhuizing wist.

Later is het weer een beetje goed gekomen tussen ome Harry en mijn vader. Maar wilde feesten waren er niet meer bij. Alie wilde haar Harry wel heel af en toe uitlenen voor feesten en verjaardagen in de familiekring van de Belmers, verder werd het lijntje niet gevierd.

Ik kan mij die feesten en verjaardagen nog goed herinneren. ’t Was dan altijd heel gezellig. Mijn vader maakte zichzelf tot het grote middelpunt, maar Harry was het muzikale wonder. Ik heb nog banden uit die tijd – als één van de eersten schafte mijn vader zich een bandrecorder aan – daarop hoor ik zijn stemgeluid. Geen geweldige strot, wel aangenaam om te horen, z’n timing was prima. Pa z’n grappen hadden niet altijd niveau (,,Zeg nou ‘ns eerlijk Lies, waar lig jij liever onder? Onder lijn dertien of onder Harry?”).

Z’n stijl van optreden was leuk. Hij was erg vrij, liep tussen z’n publiek door en improviseerde aan de lopende band. Af en toe shockeerde hij behoorlijk, bijvoorbeeld door de kale schedel van één van de mannelijke aanwezigen te zoenen.

Papa bleef roepen dat hij een toptalent was. Na ieder succesje op bruiloft of verjaardag moesten wij tot vervelens toe horen wat een fantastische artiest hij wel was. Hij bleef dromen van zijn grote doorbraak. Jarenlang reed hij met een bandopname van zichzelf in het dashboardkastje van zijn auto, met de bedoeling die demo nog eens aan een impresario te laten horen. Het is er nooit van gekomen, waarschijnlijk door gebrek aan lef en angst voor een afwijzing.

Bordjesclub

Hij zong ook bij de jaarlijkse etentjes van de Bordjesclub van Ajax. Dat was een gezelschap zeer trouwe leden van de club, die bij elke mijlpaal een Delftsblauw bordje kregen, met daarop het aantal jaren van hun lidmaatschap geschilderd. Een exclusief Ajax-gezelschap, waar menige BN-er graag bij wilde horen. Die boden zich aan voor het opluisteren van het jaarlijkse etentje, om eenmalig de illusie te hebben echt bij het grote Ajax te horen. Zo gaf de beroemde filmer Bert Haanstra een presentatie van zijn werk en lieten bekende muzikanten zich kosteloos horen.

Zeer succesvol was pa z’n optreden toen pianist Harry de Groot hem begeleidde. De Groot was in die tijd een topper in de amusement- en muziekwereld, met zijn begeleiding zat het wel goed. Mede door zijn vakmanschap wist hij het optreden van papa tot grote hoogte op te stuwen. Zodanig zelfs dat iedereen laaiend enthousiast was en in het volgende clubblad de naam Jaap Belmer veelvuldig genoemd werd.

Dat speelde zich af in de tijd dat Ajax met spelers als Cruyff en Keizer de wereldtop op het gebied van voetbal was. De naam Johan Cruyff prijkte menigmaal in het clubblad. Maar toen pa nauwkeurig ging tellen, was de triomf gigantisch. De naam Jaap Belmer werd vaker genoemd dan die van de grote Johan Cruyff!

Fred en ik schaamden ons wel eens voor onze vader die zo graag de artiest uithing. Ik weet zeker dat het nog steeds mijn prestaties op het podium beïnvloedt. Sta ik met eigen gitaarbegeleiding ergens een liedje te zingen dan doe ik dat (godzijdank wordt dat steeds minder) met een gevoel van ‘Ze zullen wel denken, daar heb je weer zo’n gek die zo nodig moet’.

Een Ajax-team ergens in de jaren ’30. Mijn vader is de derde van links op de eerste rij.

—————————————————————————————————

Jaap, Jaap en nog er eens Jaap

Vier generaties Jaap op een foto uit 1939. V.l.n.r. mijn overgrootvader, mijn vader en mijn grootvader met mijn neef op zijn arm.  

Op het gebied van namen heerste er een schrijnend gebrek aan creativiteit in de familie Belmer. De eerste Jaap die mij bekend is, was mijn overgrootvader Jacob Daniël Belmer, ook wel kleine opaatje genoemd.

Om alle Japen te kunnen onderscheiden kregen ze toevoegingen aan hun namen. Mijn opa was de oudste Jaap en werd grote Jaap genoemd.  Bij de komst van de jongste broer (de elfde in het gezin)van mijn overgrootvader en zijn eega Jannetje Malij was het namenreservoir op en kreeg ook deze de naam Jaap.

In de familie werd hij Japie van opoe genoemd. Mijn vader, Jacob Daniël, werd Japie van grote Jaap. Tante Jannie, de enige zus van mijn vader, noemde haar oudste zoon ook Jaap. Dat werd Japie van Jannie, of zelfs Japie van Jannie van grote Jaap. Japie van opoe noemde één van zijn zoons eveneens Jaap, wat leidde tot Japie van Japie van opoe.

In andere takken van de familie had je ook nogal wat Japen. Japie van Jannie van Gelder bijvoorbeeld. En ik herinner me tevens een Japie van ome Kees.

De familie had het op prijs gesteld als ik ook een Jaap was geworden. Daar tegen kwam mijn moeder in opstand. Ik ben toen naar mijn grootmoeder Gerritje Belmer-Kat vernoemd. Waar ik nog steeds niet over te spreken ben. Ik heb nooit iets met die vrouw gehad. Ze was kil, afstandelijk, dom en kortzichtig.

Misschien had ik toch liever Jaap geheten…

—————————————————————————

Jacob Daniël Belmer (1864) en Jannetje Malij (1867)

Vondeling die z’n ouders vond

Mijn overgrootvader Jacob Daniël Belmer had een wonderlijke start in 1864. Hij werd door zijn ongehuwde ouders Simon Belmer en Johanna Maria de Ruijter te vondeling gelegd bij het huis van mensen die de pasgeborene in huis haalden. Zijn ouders mochten (verschillende geloven?) niet met elkander omgaan, maar vreeën natuurlijk toch stiekem met elkaar. Het kind dat daardoor verwekt werd, moest verdoezeld worden. De baby werd volgens afspraak in het koetshuis van de kinderloze koetsier Koetser (hoe toepasselijk) gelegd.

De kleine Belmer ging zijn eerste jaren dus als een Koetser door het leven. Tot de vrouw des huizes alsnog zwanger werd en een kind baarde. Jacobje werd daarop weer aan zijn echte, inmiddels toch gehuwde, ouders terug gegeven en groeide op als een Belmer. Hij kreeg nog vele broers en zusters.

Mijn overgrootvader (in de familie werd hij later opaatje genoemd) had een aantal beroepen. Hij werkte als diamantzetter en was tevens ‘toiletmeneer’ in de voormalige Hollandse Schouwburg aan de Plantage Middenlaan. Hij speelde ook goed accordeon en verdiende daar soms geld mee. Hoe hij als goj in het zo joodse diamantvak terecht kwam, is mij niet bekend.

Stien, één van zijn dochters, werd verliefd op een joodse jongen uit Rotterdam: Jules Ossendrijver.  Daar was Jacob Daniël fel op tegen. Werken met en tussen joden was prima, maar in de familie moest hij ze niet hebben!

Jannetje Malij

Mijn overgrootmoeder Belmer heette van huis uit Jannetje Malij (1867-1933, Amsterdam) Als het diamantvak een tijdje stil lag (wat regelmatig kon gebeuren) verdiende zij de kost met straathandel. Ze ventte met groente en fruit in de Pijp, de buurt waar het gezin Belmer woonde. Als Jannetje met haar handel bezig was moesten haar oudste kinderen op hun jongere broertjes en zusjes passen.

Jannetje Belmer-Malij had de neiging van de ene op de andere dag naar een betere woning te verhuizen; wat in die tijd trouwens vaker voorkwam. Kwam haar man ’s avonds thuis, dan hing er een briefje aan de deur met het nieuwe adres.

Ze kregen elf kinderen, waarvan mijn opa Jaap Belmer de oudste zoon was. De anderen waren: Elisabeth, Jans, Marie, Johanna, Simon, Coba, Jan, Stien, Corrie en weer een Jaap. De meesten zijn flink oud geworden. Behalve Marie, die op haar 26-ste stierf. Coba ging met een litteken om haar mond door het leven, als kleintje viel ze in de kinderstoel in slaap en raakte met haar gezichtje de brandende kachel.

De jongens uit het gezin mochten doorleren als ze dat wilden. De meisjes moesten op hun 13-de al aan de slag, als hulpje in het diamantvak of als dienstbode. De meeste jongens werden arbeider. Ome Simon ging als elektricien in de scheepsbouw aan de slag. De jongste Jaap werd loodgieter/koperslager, hij werkte 40 jaar bij rederij KNSM. Hij erfde de muzikaliteit van zijn vader en speelde goed accordeon. Mijn opa Jaap Belmer kwam, net als zijn vader, in het diamantvak terecht. Hij werd diamantzager, een specialisme dat goed betaald werd.

De enige ‘witte boord’ uit het gezin van Jacob en Jannetje was ome Jan Belmer. Hij werd bankbediende en stootte door naar een hoge functie bij de Nederlandse Bank, die toen nog bij de Munt in Amsterdam gevestigd was.

Zelfmoord

Jannetje Belmer-Malij kreeg rond haar zestigste last van hevige  oorsuizingen. Het lawaai in haar hoofd werd zo erg dat ze niet verder wilde. Nadat ze de kieren rond de keukendeur met kranten had dicht gestopt draaide ze de gaskraan open…

Haar echtgenoot leidde daarna binnen de familie een zwervend bestaan. Een keurig heertje zonder vaste woon- of verblijfplaats, die afwisselend bij één van zijn kinderen woonde.

Ik kan mij nog herinneren dat hij bij zijn dochter Johanna ziek in bed lag. Een lieve man, die moest lachen toen ik als eigenwijs jochie van een jaar of zes zei dat hij wel snel dood zou gaan. Die opmerking kwam mij op een berisping van mijn ouders te staan.

Een paar weken later stierf hij, op 86-jarige leeftijd!

———————————————————————-

Freek van Leeuwen (1890-1970) en Cisca Kuhlkamp (1892-1972)

Kleine opa en oma of

opa en oma Worst

Freek van Leeuwen, door ons betiteld als Kleine Opa of Opa Worst, was slager in Amsterdam-West. De zaak was gevestigd op de hoek Wilhelminastraat/Rheinvis Feithstraat (vlakbij de Overtoom).

Mijn moeder en ik stuurden ze eens een ‘Groeten uit Zandvoort’ ansichtkaart met als naamsvermelding ‘Opa en Oma Worst’. De kaart werd keurig bij mijn grootouders bezorgd. Grappig!

Het gezin van Leeuwen woonde boven de winkel op één hoog. Een woninkje met kamer-en-suite plus alkoof. Een nette zitkamer, een tussenruimte zonder ramen (de alkoof) en de woonkamer. De drie ruimtes waren met schuifdeuren aan elkaar verbonden.

Naast de zitkamer bevond zich de slaapkamer van mijn grootouders. Achter de woonkamer was oorspronkelijk een platje, waarop een tweede slaapkamer was gebouwd. Ik heb het idee dat de beide zoons, Jaap en Theo, daar sliepen en dat mama de alkoof als slaapkamertje had.

Trammelant

Jan Frederik van Leeuwen (ca. 1890-1970, Amsterdam) was hervormd, maar raakte verliefd op een katholiek Amsterdams meisje: Francisca Cornelia Kuhlkamp (ca. 1892, Nieuwer-Amstel – ca. 1972, Amsterdam). Zo’n relatie gaf in die periode kort na de eeuwwisseling een hoop trammelant. Er werd (door de ouders van beide kanten of van één kant, dat weet ik niet) een omgangsverbod opgelegd; waar ze zich, zoals dat hoort bij echte geliefden, geen moer van aantrokken.
Waarschijnlijk werd de liefdesband er zelfs nog hechter door, wat tot gevolg had dat de minderjarige Cisca zwanger raakte. Haar ouders haalden daarop een oud en vertrouwd katholiek wapen tevoorschijn: het klooster. Ze moest er gedurende haar zwangerschap verblijven, haar kindje baren en er dan (dat denk ik tenminste) afstand van doen.

Zover kwam het niet, ik vermoed vooral door doortastend optreden van mijn opa Freek. Hij slaagde erin de verblijfplaats van zijn Cisca te achterhalen en stuurde haar brieven. Niet onder zijn eigen naam, maar onder die van haar niet-bestaande vriendin Frederika.

Hoe het verder is gegaan weet ik niet precies. Feit is dat ze na de geboorte van Jaap, de oudste broer van mijn moeder, zijn getrouwd.
Dat is een schandvlek gebleven. Ik kan me niet herinneren ooit een groot 25-, 40-, 50 of 60-jarig huwelijksfeest van Freek en Ciska te hebben meegemaakt. Er werd wel eens iets gevierd, maar dat gebeurde thuis en op bescheiden wijze..

Stokdove lieverd

Mijn oma was een moeke met een overheersende man. Ik herinner me haar als een stokdove lieverd. Je was er altijd welkom en dan trakteerde ze op een schoteltje pinda’s, een glas Riedel (sinas) en de Donald Duck, waar ze voor de kleinkinderen op geabonneerd was. Een schat van een vrouw, die je heerlijk kon knuffelen.

Opa en oma Van Leeuwen kregen drie kinderen: Jaap (1912-2002), Truus (1914-1959) en Theo (1917-2007). Ze werden katholiek opgevoed, terwijl opa hervormd bleef.
Alle drie de kinderen gingen op een gegeven moment in de zaak werken. Ook mijn moeder, die liever een loopbaan in de mode had gehad, maar dat niet mocht van haar vader. De man was een tiran voor zijn kinderen en kon zich ook tegenover oma bruut gedragen.

Mijn moeder was het sloofje. Toen mijn vader opbelde met de boodschap dat ze bij hem thuis bleef eten, reageerde zijn toekomstige schoonvader met de woorden: ,,Als ze maar weet dat de afwas hier voor haar blijft staan.”

Het werd nooit wat tussen mijn moeder en haar vader. Ze deed diverse pogingen in die richting, maar dat liep altijd op narigheid uit.
De man belemmerde het sociale verkeer tussen zijn dochter en haar moeder. Ik weet dat mamma vaak probeerde om met Kleine Oma gezellig de stad in te gaan, maar dan besliste die ouwe negatief voor zijn echtgenote.

Na de dood van mijn moeder heeft Kleine Oma het zichzelf kwalijk genomen dat ze mijn moeder op haar ziekbed niet verzorgd heeft. Dat had ze graag willen doen, maar opa hield haar tegen…

Rosbief

Opvallend was dat zijn kleinzoons, zes in getal, Opa Worst/Kleine Opa op handen droegen, voor ons was hij heel aardig. Ik weet nog goed dat ik als puber op visite was en merkte dat hij mij zat te bekijken. ‘Jij wordt een knappe snuiter’, zei hij. ‘De meiden gaan jou vast en zeker leuk vinden. Daar moet je gebruik van maken. Leuk hoor!’

Met verjaar-en feestdagen werd er bij opa en oma gegeten. Als echte slager en oud-legerkok was Kleine Opa persoonlijk verantwoordelijk voor het braden van de forse stukken fricandeau en rosbief die bij die gelegenheden op het menu stonden.
Was het vlees klaar dan gingen de kleinzoons mee naar beneden, naar de slagerij, om er op de snijmachine flinterdunne plakken van te snijden. Eén voor één mochten we aan het grote aandrijfwiel draaien.

Ook het verdelen van het vlees over de borden van de gasten was opa’s taak. Hij pakte de plakken met duim en vork beet en gaf iedereen z’n portie; alle aanwezigen zagen dat hij zelf het meeste nam, daar werd met steken onder water op gereageerd.

De maaltijd begon na het gebed van opa en oma, zij katholiek, hij hervormd. Wij hielden in de gaten wie het eerste klaar was: spannend was het niet, oma won altijd.
Na de stevige maaltijd – de jus stónd op je bord – liet opa een ferme boer en als het effe kon ook een flinke scheet – waarna iedereen van tafel mocht. De mannen zakten dan onderuit bij de televisie en de vrouwen deden de afwas.

Uitbrengwijk

Kleine Opa ging vreemd. De twee broers van mijn moeder volgden zijn voorbeeld, en niet zo’n beetje ook. De slagerij had een flinke uitbrengwijk, het vlees dat ze rondbrachten was niet alleen dat van koeien en varkens…

Van mijn moeder weet ik dat ze de nieuwsgierigheid van haar broers naar haar jonge meisjeslichaam vervelend vond. Ze tilden haar rokken op en begluurden haar als ze zich uitkleedde.

Ondanks alles bleven opa en oma bij elkaar, tot de dood hen scheidde. Hij was tachtig toen hij de pijp uitging. Iedereen dacht dat oma daarna zou opleven, maar dat pakte anders uit. Ze miste haar huistiran. ,,Hij schold me uit voor ‘Dat stomme, dove wijf’, dat vond ik altijd heel erg, maar ik zou willen dat ik het nu weer hoorde”, zei ze na zijn dood. Het ging bergafwaarts met haar, ze kwijnde weg en stierf eveneens op 80-jarige leeftijd.

Onbegrijpelijk

Ik verwijt het mezelf nog steeds dat ik haar nooit in het rusthuis heb opgezocht. Dat ik naar iemand waar ik zoveel van hield niet meer heb omgekeken, is onbegrijpelijk.
De avond voor haar crematie ging ik in mijn toenmalige woonplaats Zaandam stevig op stap. Ik zat daardoor met een enorme kater in crematorium Driehuis-Westerveld en wilde bijna applaudisseren toen de muziek stopte!!!

——————————————————————————————–

Advertenties

Een Reactie op “Familie

  1. Hallo Ger,

    Wat een geweldig verhaal. Alleen mijn vader was geen timmerman, maar loodgieter/koperslager. Hij heeft bijna 40 jaar bij de KNSM gewerkt. Dat was geen werf maar een rederij.

    Hartelijke groet van Japie van Japie van Opoe.
    (Zaandam)
    e-mail: j.belmer4@upcmail.nl

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s