Auteursarchief: gerbelmer

Eén bril is géén bril!

rodemandbril

De zucht naar scherper zicht
wordt dagelijks belicht.
Specsavers, Pearl, Hans Anders
vinden het al haast verplicht:

Eén bril is géén bril,
neem er minstens twee.
Praten ze elkander na,
in estafette op TV.

©Ger Belmer, maart 2015

Advertenties

Een geniepige stotteraar

Omstreeks m’n achtste begon ik te stotteren. De hevigheid van mijn spraakgebrek verschilde per gelegenheid. Op de Mulo kwam ik voor de klas niet uit m’n woorden, terwijl ik na schooltijd op de hoek van de straat een komische act stond weg te geven.
Ik probeerde mijn idool Toon Hermans na te doen. De uitzending van zijn one man show in april 1958 was opzienbarend. Een artiest die in z’n eentje een avondvullend programma bracht, dat kende het Nederlandse publiek nog niet. Zo beroemd en zo grappig als Hermans was wilde ik later ook worden. In schriftjes noteerde ik grapjes en gekke invallen. Net zoals Toon dat deed; had ik in een interview gelezen.
Op de hoek van de straat ging de clou wel eens de mist in. Als ik zag aankomen dat ik zou gaan stotteren zocht ik snel naar synoniemen die wél probleemloos uit mijn mond zouden rollen. Bij grappen vertellen is timing het belangrijkste; als je moet zoeken naar alternatieve woorden vertraag je de ontknoping en gaat het effect de mist in.

Ik kreeg les van een logopedist die me ademhalingsoefeningen liet doen en mij mentaal steunde. Hij kwam een keer bij ons thuis. Mijn vader vond dat maar vreemd, hij liet merken die vreemde snoeshaan niet te vertrouwen. Kort daarvoor, in februari 1959, was hij plotseling weduwnaar geworden. In z’n eentje opvoeden van zijn twee puberzoons viel hem niet makkelijk.
.
De spraakoefeningen en mentale steun van die Jan Douwes leverden resultaat op. Over mijn spraakgebrek zei hij dat ik daar vooral last van had wanneer ik mezelf wijsmaakte dat ik zou gaan stotteren. En zo was het ook wel een beetje. Als ik mijn schoolvriendjes op de hoek van de straat vermaakte met mijn moppen en grappen was ik nauwelijks nog een stotteraar. Dan hoefde ik het dus bij andere gelegenheden ook niet te zijn, bedacht ik.

Toch ben ik nog steeds een beoefenaar van de tak van sport die stotteren heet. Maar wel eentje die dat in het geniep doet. Doordat ik een soort van synoniemenwoordenboek in mijn kop heb, merkt bijna niemand iets van mijn spraakgebrek. Zie ik een ‘stotterhorde’ aankomen dan weet ik razendsnel naar een vloeiender woord of zinsbouw over te schakelen.
In de loop der jaren ben ik daar in getraind geraakt. En uiteindelijk heeft die vaardigheid mij zelfs plezier opgeleverd bij mijn journalistieke werkzaamheden. Bij het bedenken van kernachtige krantenkoppen wist ik handig gebruik te maken van mijn innerlijk synoniemenwoordenboek. Hetgeen mij op de redactie van het toenmalige Noordhollands Weekblad zelfs de titel ‘Kampioen Koppenmaker’ opleverde.
Elk nadeel heb ze voordeel. Toch?

© Ger Belmer, januari 2015

Juinen even tot leven in Waterlandse raadszaal

 

juinen

Burgemeester van der Vaart en wethouder Hekking.

De komende verkiezingen voor de Provinciale Staten roepen bij mij gemengde gevoelens op. Van 1978 tot 1984 was ik verslaggever/redacteur van de Nieuwe Noordhollandse Courant (NNC) in Purmerend. De toenmalige krant van Waterland is nu onderdeel van het Noordhollands Dagblad en gaat als Dagblad Waterland door het leven.

Belangrijk onderdeel van de verslaggeving was het verslaan van gemeentelijke raads- en commissievergaderingen, waar het provinciaals toe kon gaan. Je leest nu amper nog verslagen van dat soort bijeenkomsten in Dagblad Waterland, terwijl de NNC er toen vol mee stond.
Het fusiespook had zich nog niet laten zien; bijna elk dorp of elke stad was zelfstandig en had een eigen gemeenteraad. Kleinste was de vlek Katwoude, met een paar honderd inwoners landelijk gezien vaak de eerste gemeente waarvan de verkiezingsuitslagen bekend waren.

Vergadertijgers

Ik ben nooit bij vergaderingen van de gemeenteraad Katwoude geweest, wellicht omdat ze zo zeldzaam waren, ik geloof dat de plaatselijke politici vier keer per jaar bij elkaar kwamen. In de andere Waterlandse gemeenten konden de vergadertijgers hun lol meer op, maandelijks werden de verbale degens gekruist. En daar zat dan altijd een verslaggever van de NNC bij om de lezers op de hoogte te houden.
De kwaliteit van de raadsleden was zeer uiteenlopend. Van een simpele boerenknecht tot een vooraanstaand lid van het landelijk justitieapparaat, je kon van alles tegen komen. Sommige wethouders waren geen intellectuele krachtpatsers en deden voor spek en bonen mee. Als er maar iemand van één van de collegepartijen in B & W zat. Naar kwaliteit werd niet gekeken. Meestal kon dat ook niet, er was weinig keuze.
Dat leverde wonderlijke situaties op. Toen een vrouwelijke wethouder een vraag over één van haar portefeuilles moest beantwoorden keek ze verschrikt op: alsof ze onverhoeds wakker was geschud. ‘Uh, uh, moet ik hier op antwoorden..?’, vroeg ze hakkelend. ‘Jazeker, dat moet u’, reageerde de burgemeester – eveneens een vrouw – gedecideerd. ‘En dan zou u kunnen zeggen dat, en dat, en dat…’. Waarna een compleet betoog volgde, dat door de burgermoeder werd afgesloten met de bitse woorden: ‘Maar dat hoeft u niet meer te doen, want ík heb het al voor u gedaan…’

Van Kooten en De Bie

Het konden oersaaie bijeenkomsten zijn. Op een avond had ik, om tussendoor de tijd te doden, de beroemde Juinense Courant van Van Kooten en De Bie meegenomen. Vol nieuws over wethouder Hekking en burgemeester Van der Vaart. Magistrale satire, die in de raadszaal van die avond volledig tot leven kwam.
Ik deelde de perstafel met een verslaggever van de toenmalige Alkmaarder Courant. Hij had ook interesse in wat er in de Juiner Courant stond. En kreeg hetzelfde gevoel als ik had. We zaten naar een toneelstukje te kijken en niet meer naar een bloedserieuze vergadering van de politieke opperhoofden van een dorp in de regio Waterland.
De plaatselijke politici werden doodzenuwachtig van die twee giechelende persmuskieten en begrepen er geen barst van. Of we ze na afloop op de hoogte hebben gebracht weet ik niet meer…

Ruzie

Een hele zit vaak, dat raadsgedoe. Hoe saai ook, je moest alert blijven en de vergadering blijven volgen. Dat ging het beste als er ruzie ontstond. Als partijen het met elkaar aan de stok kregen werd het leuk spannend. Door al het gedoe waren dat nooit de kortste vergaderingen maar wel altijd boeiend om mee te maken.
Dat was zeker niet het geval bij die vergadering die ik bijwoonde na het nuttigen van een lekker maaltje kapucijners met spek, rauwe uien en worst. De benaming raasdonders bleek raak! In mijn darmen rammelde het als een gek en ik kon met moeite alle gassen en explosies binnen houden.
Ik bekeek de agenda van die avond, zag dat er voor mij een aantal wat minder belangrijke punten aankwamen en begaf mij richting toilet. Daar aangekomen gaf ik mijn ingewanden de volle vrijheid. Onmiddellijk gevolgd door weer zo’n golf lawaai en stank. En nog een en nog een. Tot mijn binnenkant gekalmeerd leek en ik het aan dorst weer naar de raadszaal te gaan.
Om daar, naar ik verwachtte, nog slechts kort te verblijven. Maar dat viel tegen. De raadslieden bleken de benen te strekken en het ondertussen over koetjes en kalfjes te hebben.
De vriendelijke burgermeester begroette mij hartelijk en zei dat hij de vergadering had stil gelegd. ‘Fijn dat u er weer bent, meneer Belmer. Ik vond de aankomende agendapunten zo belangrijk dat het jammer was als daarover morgen niets in de krant zou staan…’

 (c) Ger Belmer

Goddelijke selfie

Allah wandelt in de Kalverstraat, loopt-ie God tegen het lijf. ‘Jezus Christus!, dat ik jou hier zomaar tref, niet te geloven’, roept Allah.

‘Je hebt het toevallig wel over mijn zoon’, reageert God zuur. ‘Godverdomme’, zegt Allah, ‘neem me niet kwalijk dat ik zo’n stomme vergissing bega. Ik had beter moeten weten, er zijn miljoenen afbeeldingen van jullie in omloop. Meestal van jouw zoon aan de rekstok’; lenige jongen, dat doen jij en ik hem niet meer na. Van mij en Mohammed zijn er geen afbeeldingen. Lastig hoor, ik zie iedereen een selfie maken, dat zou ik ook wel eens willen doen.’

Waarop God voorstelt van Allah en hemzelf een selfie te maken. Ze poseren samen voor zijn smartphone en God klikt een paar keer af. Als ze samen bekijken hoe ze er op staan, is het beeld zwart, niks van het tweetal te zien. ‘Ongelooflijk, een selfie van mezelf maken lukt nooit. En nou lijk jij ook al onzichtbaar’, zegt God. Waarop Allah geschrokken reageert: ‘Godallemachtig! Je zou bijna gaan geloven dat wij niet bestaan…’

De jacht op het miljoen

JHZ/VEUL GELD

Mijn ome Jan was rijk, maar leefde in een hel. Hij moest en zou het miljoen te pakken krijgen. Elke dag weer telde hij zijn geld, om te zien of hij de magische grens was gepasseerd.

Zenuwslopend hoor! Dan had zijn vrouw weer een dure bontjas gekocht. Was hij onverwacht zwaar aangeslagen door de belasting. Viel die tandheelkundige behandeling toch onder het eigen risico. Er was altijd wel wat, de TV ging kapot, de jaarafrekening van het waterleidingbedrijf viel tegen, of hij kreeg een parkeerbon aan zijn broek. Ellende, doffe ellende.

Met 999.999,99 euro op de bank kun je een prachtig leven hebben, net zo mooi als met die ene cent meer. Maar ome Jan moest en zou miljonair worden. Daar had hij alles voor over. Hij gaf voor zichzelf geen stuiver uit, gooide pas iets weg als hij zeker wist dat hij het nergens meer voor kon gebruiken en loerde constant op koopjes.

Op zekere dag kwam hij precies een tientje tekort om zijn doel te bereiken. Hij was daar stevig van ondersteboven en besloot in de frisse lucht de ergernis uit z’n lijf te lopen.

Maar, onderweg lachte het geluk hem plots toe! Midden op een druk kruispunt dwarrelde een tientje in de voorjaarswind.

Keihard sprintend op zijn totaal afgesleten sportschoenen vloog ome Jan erop af.

De bestuurder van de stadsbus trapte keihard op de rem en gooide z’n stuur om, maar…

’t Boemeltje van Purmerend

Gisteravond, 12 september, was de jaarlijkse bekendmaking en vervolgens onthulling van het gedicht dat tot Monumentdag 2015 op billboardformaat aan de zijgevel van Proeflokaal Bakker aan Koemarkt 44 in Purmerend blijft hangen.

Een project van Vereniging Historisch Purmerend (VHP) in samenwerking met Dichterskring Waterland. De VHP laat de leden van de dichterskring jaarlijks gedichten maken op het thema van Monumentendag, waarna een VHP-jury bepaalt welk gedicht het beste is. Dit jaar is het thema ‘Reizen’.

De jury vond wederom een gedicht van Thea de Hilster het beste en ook het meest in overeenstemming met de doelstelling van de VHP: het onder de aandacht brengen van de historie van Purmerend.

Mijn inzending bestond uit een gedicht geïnspireerd op het nog steeds bekende liedje ’t Boemeltje van Purmerend’. Het populaire VARA-dansorkest The Ramblers zette Purmerend er omstreeks 1940 stevig mee op de kaart. Heb ik het ergens in Nederland over mijn woonplaats dan komt mijn gesprekspartner negen van de tien keer met ’t boemeltje of de step van Wim op Sonneveld (uit Ja Zuster, Nee Zuster) op de proppen.

———————————————————————

’t Boemeltje

Gras en vee gleed langs de ramen
Binnen zat je sfeervol samen
Het boemeltje van Purmerend
reed met een snelheid ongekend.

Stond een koe dwars op het spoor
ging de reis even niet door
Avontuur per kilometer,
in die oude afstandsvreter.

Prachtig thema voor een liedje
met een vrolijk melodietje
The Ramblers speelden het met pit
Maakten het boemeltje een hit.

© Ger Belmer, juli 2014

—————————————————-

Songtekst The Ramblers: “Het boemeltje van Purmerend”

Kijk, een luxe Pullman dendert langs de lijnen
Met een snelheid als nog nimmer werd gekend
Als je ‘m ziet dan zie je ‘m even snel verdwijnen
’t Is het boemeltje van Purmerend

In de superluxe restauratiewagen
Zit je in de zachte kussens heel verwend
En je hoort er werk’lijk zelden iemand klagen
’t Is het boemeltje van Purmerend

Razend.Blazend
Vliegt het monster langs de lijn
Dreunend.Steunend
Maar daar staat een koe
En boe zegt de trein

Met een vaart van minstens honderd kilometer
Met een plaatsbewijs van zeker zestig cent
Zit je in die goede oude afstandsvreter
In het boemeltje van Purmerend

En we staren heel gezellig door de ramen
Grote ramen van karton en perkament
En we flirten heel gezellig met een dame
In het boemeltje van Purmerend…

Zang: Marcel Tielemans. Tekst en muziek: Jack Bulterman.

———————————————————

Het winnende gedicht van Thea de Hilster:

Reis in de tijd

het vergde vroeger tijd
om ergens te komen
je ging gewoon lopen
of met paard en wagen

reizen met de diligence
je valies op het dak
pleisterplaats De Doele
paarden in de stal

trekschuiten in de vaart
een jaagpad ernaast
het zandpad nu asfalt met
haastige paardenkrachten

De Doele met zijn stallen
getuigen van een verleden
toen het nog tijd vergde
om ergens te komen.

Thea de Hilster

Opgelucht

denkhoofd

De professor

Dat doodenge wapen
Met dat snelwerkend gas
Werd beproefd op een dier
Het zat vast, achter glas

De geniale professor
heeft het weer eens geflikt
Haalt opgelucht adem
Omdat dat dier is gestikt

Thuis, de professor
Zo blij met dat wapen
Kust teder zijn kind
Het ligt vredig te slapen

Ger Belmer

BUK-raketten, tot vorige week had geen sterveling in Nederland er van gehoord. Als ze wel ter sprake waren gekomen had ik misschien gedacht aan een soort vuurwerk dat je door te bukken kon ontlopen.

Niets is minder waar. Neemt een BUK-raket je op de korrel dan ben je d’r geweest. Niet doordat het kreng je raakt maar doordat het wapen als het bij je in de buurt is ontploft en dan verandert in een schot hagel. Een vliegende fragmentatiebom.

Wie zo’n ding per ongeluk (daar hou ik het voorlopig op) afschiet en er een verkeersvliegtuig met bijna 300 inzittenden mee vernietigt is een klootzak eerste klas. En wie zo’n apparaat aan een bende onbehouwen zakkenwassers levert is een misdadiger.

Maar degene die zo’n ding bedenkt, wat is dat voor exemplaar? Gaat de uitvinder van de BUK niet gebukt onder de diepe ellende die hij indirect heeft veroorzaakt in tientallen gezinnen in Nederland, Australië, Maleisië en nog een aantal landen waaruit de onschuldige slachtoffers afkomstig waren.?

Bovenstaand gedichtje schreef ik 12 jaar geleden. Toen de BUK wellicht op een Russische tekentafel gestalte kreeg. Vandaar het dodelijk gas. Niet actueel, maar wat maakt het uit? Ze lopen nog steeds bij bosjes rond, de wapenbedenkers. Mannen (en wellicht ook vrouwen) die een beste boterham verdienen en als ze ’s avonds thuis komen hun partner een zoen geven, kijken wat straks de pot schaft, zichzelf een drankje inschenken en zeggen dat ze lekker gewerkt hebben…

Met mijn baasje naar het park

neukende honden

Ooit was zij zijn wilde bruid.
Nu zit ze vroeg te gapen.
Hij zegt: Ga jij maar slapen,
ík laat de hond wel even uit.

In ’t park raak ik mijn ballast kwijt.
Mijn baasje wacht vol ongeduld,
op waar hij altijd zo van smult,
zijn lief, die mooie, blonde meid.

Het minnen is een algemeen gegeven,
dat toch verschillend wordt bedreven.
Elk paar heeft zo z’n eigen wens.

Mijn baas vrijt lekker met dat blondje.
Ik doe datzelfde met haar hondje.
Wij op z’n honds, zij op z’n mens.

 

© Ger Belmer

 

Leerproces

schoenmaker

‘Het leven is een leerproces’, zei de schoenmaker terwijl hij een kunststof hakje aan het modieuze damesschoentje spijkerde. (Chinese wijsheid, omstreeks 2036 voor Christus)

Zuinig en kritisch taalgebruik

Schrijven is schra