Een geniepige stotteraar

Omstreeks m’n achtste begon ik te stotteren. De hevigheid van mijn spraakgebrek verschilde per gelegenheid. Op de Mulo kwam ik voor de klas niet uit m’n woorden, terwijl ik na schooltijd op de hoek van de straat een komische act stond weg te geven.
Ik probeerde mijn idool Toon Hermans na te doen. De uitzending van zijn one man show in april 1958 was opzienbarend. Een artiest die in z’n eentje een avondvullend programma bracht, dat kende het Nederlandse publiek nog niet. Zo beroemd en zo grappig als Hermans was wilde ik later ook worden. In schriftjes noteerde ik grapjes en gekke invallen. Net zoals Toon dat deed; had ik in een interview gelezen.
Op de hoek van de straat ging de clou wel eens de mist in. Als ik zag aankomen dat ik zou gaan stotteren zocht ik snel naar synoniemen die wél probleemloos uit mijn mond zouden rollen. Bij grappen vertellen is timing het belangrijkste; als je moet zoeken naar alternatieve woorden vertraag je de ontknoping en gaat het effect de mist in.

Ik kreeg les van een logopedist die me ademhalingsoefeningen liet doen en mij mentaal steunde. Hij kwam een keer bij ons thuis. Mijn vader vond dat maar vreemd, hij liet merken die vreemde snoeshaan niet te vertrouwen. Kort daarvoor, in februari 1959, was hij plotseling weduwnaar geworden. In z’n eentje opvoeden van zijn twee puberzoons viel hem niet makkelijk.
.
De spraakoefeningen en mentale steun van die Jan Douwes leverden resultaat op. Over mijn spraakgebrek zei hij dat ik daar vooral last van had wanneer ik mezelf wijsmaakte dat ik zou gaan stotteren. En zo was het ook wel een beetje. Als ik mijn schoolvriendjes op de hoek van de straat vermaakte met mijn moppen en grappen was ik nauwelijks nog een stotteraar. Dan hoefde ik het dus bij andere gelegenheden ook niet te zijn, bedacht ik.

Toch ben ik nog steeds een beoefenaar van de tak van sport die stotteren heet. Maar wel eentje die dat in het geniep doet. Doordat ik een soort van synoniemenwoordenboek in mijn kop heb, merkt bijna niemand iets van mijn spraakgebrek. Zie ik een ‘stotterhorde’ aankomen dan weet ik razendsnel naar een vloeiender woord of zinsbouw over te schakelen.
In de loop der jaren ben ik daar in getraind geraakt. En uiteindelijk heeft die vaardigheid mij zelfs plezier opgeleverd bij mijn journalistieke werkzaamheden. Bij het bedenken van kernachtige krantenkoppen wist ik handig gebruik te maken van mijn innerlijk synoniemenwoordenboek. Hetgeen mij op de redactie van het toenmalige Noordhollands Weekblad zelfs de titel ‘Kampioen Koppenmaker’ opleverde.
Elk nadeel heb ze voordeel. Toch?

© Ger Belmer, januari 2015

Advertenties

Een Reactie op “Een geniepige stotteraar

  1. Mooi dat je met het stotteren hebt leren omgaan. Zou het ook kunnen zijn dat het zingen je heeft geholpen? Ik heb een vergelijkbare synoniemen-vindingrijkheid ontwikkeld, maar zingen heeft me geleerd te fraseren en melodie in mijn spraak te integreren, zodat ik nu probleemloos een tekst kan uitspreken, ook als er geen synoniemen voorhanden zijn, bijvoorbeeld bij voorlezen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s